
‘Ter promotie van demotie’ is het motto dat prijkt boven het voorwoord van een onlangs verschenen boek van het Belgische auteursduo Verheyen en Vermeir. Minder omfloersd dan de titel van het boek zelf, geeft dat motto precies aan wat het boek te bieden heeft: een betoog waarin demotie, de tegenhanger van promotie, als een respectabele loopbaanstap wordt opgevoerd. Het is daarmee een taboedoorbrekend boek. Het maakt een eind aan de vanzelfsprekendheid van loopbanen die altijd opwaarts of in ieder geval nooit neerwaarts gaan. De gedachte die eraan ten grondslag ligt is niet zo ingewikkeld. Zo goed als promotie voor de hand ligt zodra iemand waardevoller en onmisbaarder wordt voor zijn of haar organisatie, zo goed ligt demotie voor de hand wanneer het omgekeerde het geval is, en dat laatste is iets dat zich in elke loopbaan kan voordoen. In een opiniestuk in het blad van de Algemene Werkgeversvereniging Nederland concretiseerde ik deze gedachtegang in de vorm van de volgende vier argumenten voor demotie-arrangementen in arbeidsovereenkomsten:
1. Demotie maakt dat het rendabel blijft om werknemers van wie de expertise door wat voor oorzaak dan ook in waarde terugloopt in dienst te houden. Dat is prettig voor werkgevers, maar ook voor werknemers; het kan de redding zijn van hun baan.
2. Een demotieregeling is goed voor het rechtvaardigheidsgevoel van werknemers. Voor demoverenden neemt zij redenen weg om zich overbetaald te voelen en voor hun collega’s neemt zij redenen weg om zich onderbetaald te voelen. De solidariteit tussen generatiecohorten komt minder onder spanning te staan.
3. Het blote feit dat demotie tot de mogelijkheden behoort zal werknemers prikkelen tot investeringen in hun expertise. De inzetbaarheid van de beroepsbevolking is erbij gebaat.
4. Demotieregelingen hebben, overall, een matigende werking op inkomens. Zoals elke krantenlezer kan weten gaat de levensstandaard in Europa in de komende jaren licht naar beneden. Demotieregelingen bieden mogelijkheden om die teruggang op een rechtvaardige manier te verdelen.
De verdienste van het boek van Verheyen en Vermeir is dat het dit soort argumentaties van hun abstractheid ontdoet. Verspreid over elf hoofdstukken geeft het een overvloed aan praktijkvoorbeelden van loopbanen waarin demotie op een uiterst heilzame manier uitpakte. Een kanttekening daarbij is dat het daarbij in de meeste gevallen gaat om loopbanen die op een dood spoor beland waren. Daarmee zet het boek demotie onbedoeld als een noodoplossing in de etalage. De vraag is of dat niet te beperkt is. Waarom zouden loopbanen altijd op het hoogste punt moeten eindigen? Ligt een patroon van opbouwen gevolgd door afbouwen niet meer voor de hand? Is het voor werkenden vaak niet veel relaxter om in de slotfase van hun loopbaan een stap terug te doen? Dit zijn vragen voor empirisch onderzoek. Het boek van Verheyen en Vermeir geeft daar nog geen antwoorden op, maar het daagt wel uit om dat soort onderzoek aan te pakken.

